Karel Appel

De barbaarse schilderstijl van Karel Appel

14-10-2009, Rubriek Kunst, Door Gerrard Avant Garde

Bookmark and Share

Christiaan Karel Appel (1921- 2006) was nog geen achttien jaar oud toen hij de kappers zaak van zijn vader verliet. ‘Hij wilde zijn geluk als schilder beproeven’, riep hij. Hij had al enige ervaring opgedaan tijdens de lessen die hij volgde bij kunstschilder Josef Verheyen. Hier kreeg hij voor tien gulden per maand ’s avonds les in het mengen van kleuren en in de basisprincipes van de schilderkunst. In deze tijd heeft hij lang met de gedachten rondgelopen om zich in plaats van Karel Appel ‘Charles Appél’ te noemen. Zijn vader betreurde het dat zijn zoon niet in zijn voetsporen trede; Karel was een voortreffelijke kapper!

In 1940 besloot hij naar de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten te gaan waar hij tijdens de oorlogsjaren verbleef. Tijdens zijn studie kwam hij in aanraking met het milieu van jonge, ambitieuze kunstenaars wat hem inspireerde. Hij besloot vlak na de oorlog met zijn nieuwe vrienden Constant en Corneille te reizen, en België en Denemarken waren de eerste landen waar zij zich aandeden. Maar Parijs was de stad waar zij zich uiteindelijk vestigde. De schoonheid van de stad, en de in het verleden gevestigde grootheden als Jongkind, Van Gogh, Mondiaan en Picasso maakten van Parijs zijn thuis. De strijd in het kunstenaars bestaan was hard, 60.000 beroepsschilders tegenover maar 3000 in Amsterdam. In ’48 zit Appel nog steeds als één uit duizenden en doet wat velen doen: hij discussieert over kunst, jazz en poezie en luistert naar gesprekken in ateliers en café’s als ‘Le Mabillon’in Saint Germain des Prés en ‘Le Select’op Montparnasse. Appel ontmoet steeds meer gelijkgestemden, waaronder de Belg Christian Dotrement, de Deen Asper Jorn, die eenzelfde creatieve honger hebben als hij. De één in schilderkunst de ander meer in de dicht- en schrijfkunst. Vooral de combinatie waarin het stripverhaal, de kindertekening en inheemse volkskunst samenkomen met hun eigen kunst. Tijdens de ‘conférance internationale pour l’art d’avant-garde’ lijkt het verschil tussen de Franse ‘Surréalistes révolutionnaires’ en de groep waarin Appel zich begeeft te groot en overbrugbaar. Ze besluiten zelf een beweging en orgaan op te richten dat zij ‘Cobra’ noemen. Cobra naar Copenhagen, Brussel en Amsterdam, de geboortesteden van de oprichters. Cobra zorgde ervoor dat de schilders langzamerhand steeds meer bekendheid kregen, ook Appel. In ’49 kreeg hij de opdracht om een ontwerp wandschildering te maken in de kantine van het Amsterdamse Stadhuis. De schildering genaamd ’Vragende kinderen’ werd door de ambtenaren bestempeld als duivels, krankzinnig geklieder en werd al snel met behang overplakt. Ook had Appel dat jaar meegewerkt aan een geruchtmakende tentoonstelling in het Nederlands museum. Ook nu werrden Appel en zijn groep afgeschilderd als een stel krankzinnige idioten. Deze stempel zorgde ervoor dat Appel steeds bekender werd in binnen en buitenland met zijn expressieve werk. Cobra zelf besloot in ’51 op te houden met bestaan. De leden gingen ieder hun eigen weg. Wel werd de inspiratie van Cobra door een grote groep van kunstenaars, dichters en schrijvers meegenomen. Cobra was dood maar ook springlevend.

Appel ging door en zijn exuberante persoonlijkheid, zijn barbaarse voorkomen in combinatie met zijn Amsterdamse mentaliteit maakte hem een unieke kunstenaar. Iemand die zich overal met evenveel energie over ontfermt, hij verfde explosies op linnen, dronkenschap in de ruimte, orgieën in kleur, maar tegelijkertijd ook bezinning. Dit getuigt van zijn werk die hij maakte waarin de watersnoodramp in ’53 centraal staat. Hij heeft inmiddels tal van (solo) exposities op zijn naam staan in Brussel, Rome, Milaan, Lille en zelf New York. Hij is enthousiast over die stad en verblijft er drie maanden. Hij maakte daar 20 doeken en 4 portetten van jazzmuziekanten waar hij bevriend mee is geraakt, Count Basie, Miles Davis, Sarah Vaughan, Dizzy Gillespie. De muziek van Gillespie zal in 1961 in de film ' De werkelijkheid van Karel Appel' , gemaakt door Jan Vrijman een rol spelen. Appel was gefilmd terwijl hij aan het werk was en de verf met grote woede letterlijk tegen het doek gooide. Dit was goed te zien omdat Vrijman had gekozen voor een bijzonder camerastandpunt. In het midden van het doek was een gat gemaakt, waarachter de cameraman stond. Kunstenaars in beeld brengen tijdens hun werk kan fataal zijn voor hun carrière. Pollock was hier een mooi voorbeeld van: toen bekend werd hoe zijn dripping techniek werkte was het gouden randje van zijn werk. Pollock raakte wederom aan de drank en stierf enkele jaren. Zoals te verwachten in de carrière van Appel was, dit niet het geval. De film kreeg in Nederland gemengde kritieken maar in het Buitenland werden grote prijzen gewonnen.

Tot zijn dood heeft hij geëxperimenteerd met nieuwe kunstvormen. Karel Appel mag nog steeds tot de meest spectaculaire figuren uit de Nederlandse kunstgeschiedenis behoren. Zijn werk staat nog steeds internationaal hoog aangeschreven. In het Cobra museum in Amstelveen heeft Appel een centrale rol.